Logo Universiteit Utrecht

Universitair Dierenziekenhuis

Kennisbank

Cornage

Inleiding  Cornage is een verlamming van een stemband en het bijbehorende kraakbeentje in de keel  bij een paard. Bij het ademen tijdens arbeid zal een paard de keel zo ver mogelijk open  trekken. Dit gebeurt doordat de keelspiertjes de stembanden en de arykraakbeentjes zover  mogelijk opzij trekken waarbij de zakjes van Morgagni worden dichtgedrukt (foto 1).

Foto 1 Het aanzicht van een normale keel (larynx) door een endoscoop: 1 = arykraakbeentjes; 2 =  stembanden; 3 = strotklepje; 4 = zakje van Morgagni

Wat zijn de oorzaken van cornage?  De meest voorkomende vorm van cornage is de erfelijke vorm waarbij de linker stemband  en het bijbehorende kraakbeentje zijn aangetast. De oorzaak van deze aantasting is een  beschadiging van de zenuw (Nervus recurrens) die dit gebied van prikkels voorziet. De  precieze oorzaak van de degeneratie (langzame afbraak) van de Nervus recurrens is  onbekend, maar wel is bekend dat er een erfelijke component meespeelt. Als de stemband  en het kraakbeentje in de luchtweg hangen zal tijdens arbeid een hoog fluitend (piepend)   geluid tijdens de inademing optreden, het zogenaamde cornagegeluid. Met de term  ‘cornage’ wordt doorgaans de erfelijke vorm met aantasting van de linker Nervus recurrens  en het meer of minder afhangen van de linker stemband en het linker kraakbeentje (foto 2a  en b) bedoeld.    Er zijn ook andere oorzaken waardoor de Nervus recurrens kan zijn aangetast, bijvoorbeeld  door een ontsteking van de halsader (Vena jugularis). Ook kan bij ontsteking van de  luchtzakken of de hals lymfeknopen (doorgaans als gevolg van droes) beschadiging van de  zenuw optreden. Dit kan natuurlijk zowel aan de linkerkant als aan de rechterkant gebeuren.  Deze vormen van cornage hebben dus voor zover bekend geen erfelijke component en  komen veel minder vaak voor. In de fokkerij wordt daarom aangehouden dat bij linkszijdige
cornage in principe sprake is van de erfelijke vorm, zeker omdat achteraf niet te bewijzen is  dat droes de oorzaak van de linkszijdige cornage is.

Foto 2a en 2b Linker foto toont een volledig geopende keel (larynx) en de rechter foto toont een paard met cornage links met afhangen van het linker kraakbeentje en de linker stemband en het verder openstaan van het linker zakje van Morgagni (de linker kant van het paard is voor de kijker rechts). 

Bij een rechtszijdige cornage is de niet‐erfelijke vorm meer waarschijnlijk. Alle vormen van cornage maken hetzelfde type bijgeluid waarbij het geluid meestal ernstiger is als de stemband en het kraakbeentje meer in de luchtweg hangen en dus harder ‘flapperen’. De beoordeling van de keel gebeurt op basis van een video opname bij het staande paard omdat de symmetrie en de beweeglijkheid alleen dan goed te beoordelen zijn.

Is er iets aan cornage te doen?  Ja, eenzijdige verlamming van de stemband en het bijbehorende kraakbeentje kan  geopereerd worden waarbij de stemband en het kraakbeentje naar opzij worden getrokken  door middel van een stevige hechting. Bij de operatie is het van belang dat de chirurg de  hechting zo strak doet dat er meer ruimte voor luchtpassage komt en minder ‘flapperen’ van  de stemband zal optreden, maar niet zo strak aantrekt dat slikken na de operatie problemen  gaat geven.

Kan een paard met cornage in de sport presteren?  Een paard met cornage kan in principe gewoon werken. Het eerst merkbare probleem is  doorgaans het bijgeluid, een hoogtonig gefluit (gepiep) bij de inademing. Dit is vaak het  beste te horen in galop bij het opspringen, want dat is het moment van inademen. De mate  van bijgeluid hangt samen met de ernst van de cornage. De zenuwvoorziening van de  stemband en het kraakbeentje kan namelijk minder of meer ernstig zijn aangetast. Hoe  ernstiger de aantasting hoe meer de stemband en het kraakbeentje in de luchtweg hangen  en hoe verder het zakje van Morgagni open staat. Bij meer ‘in de weg hangen’ is er dus  doorgaans meer bijgeluid en als een groot deel van de luchtweg wordt afgesloten kan er ook  sprake zijn van verminderde luchtpassage. Dat kan in ernstige gevallen leiden tot  onvoldoende presteren of zelfs duidelijke benauwdheid. Dit laatste speelt bij renpaarden  een veel grotere rol dan bij sportpaarden, maar ernstige cornage kan dus ook bij  sportpaarden tot onvoldoende presteren leiden.

Wat is de erfelijkheidsgraad van cornage?   De erfelijkheid van cornage ligt erg gecompliceerd en er is geen eenduidige mening over de  erfelijkheidsgraad. Het is dus niet mogelijk om aan te geven hoe groot de kans is dat een  veulen van een hengst en/of een merrie die de erfelijke vorm van cornage heeft, ook  cornage heeft.   De exacte wijze van vererven van cornage is nog niet bekend en wordt wel omschreven als  ‘multifactorieel’. Er zijn meerdere genen bij het ontstaan van cornage betrokken en mogelijk  spelen ook factoren tijdens de opfok nog een rol. Er is een Duits onderzoek van professor  Ohnesorge dat aangeeft dat de kans op cornage bij veulens van ouderdieren die zelf ook  cornage hebben duidelijk groter is dan de kans bij veulens van ouderdieren die zelf geen  cornage hebben.

Cornage komt voor in gradaties, welke?   Verschillende wetenschappers in verschillende landen gebruiken verschillende  graderingssystemen. Daarbij is graderen lastig bij cornage, omdat de mate van opwinding  van het paard tijdens het onderzoek duidelijk invloed heeft op de beweeglijkheid van de  stembanden. Sedatie (rustig maken) met een medicament beïnvloedt ook de mate van  beweeglijkheid van de keel. Voor het cornage-onderzoek van het KWPN is daarom al vele decennia geleden besloten om niet te werken met graden. Deze keuze is mede gemaakt op  basis van de problemen die in de loop der jaren zijn opgetreden rondom het graderen van  röntgenfoto’s. De kelen worden beoordeeld op:

  • Mate van symmetrie
  • Mate van beweeglijkheid
  • Volledig kunnen openen en volledig kunnen sluiten
  • Reactie op een ‘slaptest’
  • Aanwezigheid van andere afwijkingen (zoals gespleten gehemelte, foto 3a en  b)
Foto 3a en 3b 
Gering gespleten gehemelte (palatoschizis) bij een driejarige hengst rode pijltjes – geven rand van de spleet aan (3a) en een uitgebreid gespleten gehemelte (3b).

De ‘slaptest’ is een korte tik net achter het schouderblad van een paard (foto 4), net onder de schoft.Hierdoor wordt een zenuwboog geactiveerd die de stemband doet reageren. Als men aan de linkerkant tikt zal de rechter stemband reageren en als men aan de rechterkant tikt zal de linker stemband reageren. Als de zenuwvoorziening is aangetast zal deze reflex  niet of beduidend minder goed werken.

Foto 4 Slaptest uitgevoerd aan de rechterzijde van het paard zal een reactie geven van de  linker stemband en het linker kraakbeentje. 

Er is in de tachtiger jaren samen met de fokkerijraad van het KWPN vastgesteld hoe ‘streng’  de beoordeling van de keel moet zijn en waar de ‘grens’ ligt. Deze grens wordt al meer dan  30 jaar aangehouden bij de beoordeling.  Dit alles te samen leidt dan tot een eindoordeel:
  • In orde = volledig symmetrisch, optimaal bewegend en goede reactie op  slaptest
  • Acceptabel = net niet helemaal symmetrisch en/of net niet helemaal optimaal  bewegend  en/of (iets) verminderde reactie op slaptest
  • Net acceptabel = net voldoende symmetrisch en net voldoende bewegend,  wel/geen reactie op slaptest; deze dieren kunnen mogelijk cornage  ontwikkelen (en dat is ook wel eens gebeurd, maar vaak ook niet)
  • Niet acceptabel = er is sprake van duidelijk onvoldoende beweeglijkheid,  duidelijke asymmetrie en geen of een sterk verminderde reactie op slaptest
Als er andere afwijkingen in de keel aanwezig zijn wordt dit apart gemeld en kan dit ook  leiden tot ‘niet acceptabel’.

Kan cornage verbeteren of verslechteren?
Het ontwikkelen van cornage zien we nogal eens gebeuren tussen het tweede en het derde levensjaar. In de meeste gevallen zullen de afwijkingen van de stemband en het  kraakbeentje langzaam maar zeker verergeren. In de voorwaarden van de KWPN staat daarom ook duidelijk omschreven dat als een paard tijdens het  centrale verrichtingsonderzoek alsnog geluid gaat maken, het cornage-onderzoek kan worden herhaald. In zeer zeldzame gevallen wordt ook wel verbetering van de ernst van de cornage gezien. Dat zou met name het geval kunnen zijn bij paarden die een niet‐erfelijke vorm van cornage hebben en waar de zenuwvoorziening zich toch weer hersteld.

Cornage beoordeling en veterinaire keuring 
Bij de beoordeling van cornage is er een grens tussen ‘net acceptabel’ en ‘niet acceptabel’. Dit is een afgesproken grens en is gebaseerd op duidelijke criteria zoals boven omschreven. Het systeem is verder betrouwbaar omdat al vele jaren dezelfde onafhankelijke specialisten deze beoordelingen uitvoeren en zij dus voor alle aangeboden opnamen precies dezelfde criteria hanteren. Bij een veterinaire keuring van een paard worden doorgaans iets strengere eisen gesteld dan voor een fokkerij‐beoordeling. Bij paarden met de beoordeling ‘net acceptabel’ wordt dit doorgaans op het keuringsformulier vermeld. Er is immers een duidelijk verhoogd risico op  het ontwikkelen van het hoogtonige fluitende bijgeluid. Bij een jonger paard is dit risico  groter dan bij een dier wat al ouder is en al jaren zonder bijgeluid in de sport presenteert. Een wel of niet positief aankoop/verkoop advies wordt gegeven op basis van een totaal onderzoek van het betreffende paard.

Voorkomen van cornage in de  KWPN fokkerij

Op de site van de KWPN staat:   “ Voordat de aangewezen hengsten worden aangeleverd voor het verrichtingsonderzoek  dient het ademhalingsapparaat onderzocht te worden op afwijkingen middels een  cornageonderzoek. Ook laat de eigenaar de spermakwaliteit en het geslachtsapparaat  onderzoeken. Zowel aan het ademhalingsapparaat als de spermakwaliteit zijn minimum  eisen gesteld om toegelaten te worden tot het verrichtingsonderzoek.”    Het controleren van het ademhalingsapparaat in de afgelopen 40 jaar heeft bij het KWPN  geleid tot afname van het voorkomen van cornage. Immers, grotere paarden (hogere  stokmaat, langere halzen) hebben duidelijk meer kans op cornage dan kleinere paarden. De  fokkerij neigt naar steeds grotere paarden en dus neemt de kans op cornage duidelijk toe.  Toch is het aantal paarden met cornage in Nederland voor zover te overzien duidelijk  afgenomen. Daar heeft de  Cornagecommissie van het KWPN geen harde cijfers over, omdat  de meeste hengsten thuis op video worden gezet en deze opnamen alleen worden  ingestuurd als de eigen dierenarts denkt dat dit enige kans heeft. Toch is bij een onderzoek  in het veld wel gebleken dat er de laatste decennia veel minder paarden aan cornage  worden geopereerd dan in het verdere verleden.

Gebruik van een hengst met cornage?

In principe is er bij de driejarige hengsten in de KWPN-fokkerij zoveel keus dat hengsten met cornage niet aangewezen worden en dat hengsten die tijdens het verrichtingsonderzoek  gaan ‘fluiten’ nog een keer met de endoscoop worden onderzocht. Er wordt aangehouden  dat als een paard cornage van de linker stemband heeft, er in principe sprake is van de  erfelijke vorm. Dit omdat achteraf niet met zekerheid geconstateerd kan worden wat de  oorzaak van de cornage is. Hengsten die uitzonderlijk presteren kunnen bij het KWPN op latere leeftijd, ondanks eerder geconstateerde veterinaire bemerkingen, toch als dekhengst worden goedgekeurd.  Dierenartsen die veel Friese paarden zien weten dat cornage ook bij de Fries regelmatig voorkomt en dat ook hier geldt dat bij het fokken van grotere paarden de kans op cornage ook toeneemt. Echter de breedte in de Friese fokkerij is veel kleiner dan in het KWPN en het  is aan de fokkerij/hengstenkeuringscommissie om te besluiten om een hengst wel of niet  aan te wijzen. Het wel of niet gebruiken van een hengst als vaderdier voor een veulen is een persoonlijke keuze van een fokker. Hij kent zijn merrie en weet wat hij wil verbeteren. Er zijn vele redenen om een hengst juist wel of juist niet uit te kiezen en cornage is er daar maar eentje van.

Conclusie  Cornage is een lastig probleem enerzijds omdat het in meer of minder ernstige mate kan  voorkomen en daarbij meer of minder problemen geeft in het gebruik en anderzijds omdat  het een multifactoriële vererving heeft waar we nog lang niet alles vanaf weten. Toch blijkt  het weren in de fokkerij van ouderdieren die zelf cornage vertonen wel te leiden tot  vermindering van het voorkomen van cornage.

Wilt u hier een PDF van? Klik hier